De Acta Macionica

Wanneer in 1991 het eerste nummer van het studietijdschrift Acta Masonica verschijnt, is het nog een bescheiden publicatie. Het werd echter warm onthaald door de Loges van de Reguliere Grootloge van België. De filosofie die achter de creatie van de Acta schuilging, blijkt duidelijk uit het voorwoord dat Grootmeester L. De Bouvère liet

De Traditionele en Reguliere Belgische Vrijmetselarij heeft gedurende een zeer lange tijd, haar discretie met de grootste zorg weten te bewaren. Zo zeer zelfs dat haar geheimhouding door de enen als ‘voorbeeldig’ maar door de anderen als ‘onzalig’ wordt bestempeld. De publicatie der ‘Acta’ tracht tegemoet te komen aan het oordeel en de kritiek van beide zienswijzen. De artikels zijn de neerslag van rustig doordachte en serene beschouwingen op historisch of esoterisch gebied en voldoen aan twee fundamentele vereisten: – 1. Aan het door art. 2 van onze Constitutie opgelegde verbod politieke of religieuze polemieken te veroorzaken – 2. Aan de als prioriteit aangevoelde bekommernis de maçonnieke kennis van de Broeders te verdiepen.

Naar mate “Ars Macionica” als Studieloge groeide, namen ook de Acta’s in volume toe. Ze groeiden uit tot vuistdikke octavo’s, boordevol interessante publicaties en ongepubliceerde documenten die getuigen van origineel en vernieuwend maçonniek onderzoek. Het tijdschrift kreeg ondertussen zowel nationaal als internationaal uitstraling en waardering. Tot op vandaag verschenen er 27 nummers met een zeer gediversifieerde inhoud. Een rijke waaier aan onderwerpen kwam in de loop der jaren aan bod. Zo vindt men o. m. bijdragen over maçonnieke geschiedenis, anti-maçonnerie, symboliek, ritualistiek, kunst en materiële maçonnieke cultuur, sociologie, heuristiek, methodologie, bibliografie en bibliotheekgeschiedenis, ideeëngeschiedenis, prosopografie ea.

Wie gevraagd wordt of zich aanbiedt om een artikel te publiceren, moet de hoofdredacteur van Acta Macionica drie exemplaren van zijn tekst elektronisch toezenden. Indien nodig, kan hij de tekst aan de redactie ter lezing voorleggen. De redactiesecretaris zal de tekst dan – na goedkeuring van de hoofdredacteur – persklaar maken, waarbij aan de schrijver al dan niet gevraagd wordt eventuele problemen van linguïstische aard op te lossen. De teksten die tijdens de zitting van de maand mei worden voorgesteld, kunnen nog datzelfde jaar gepubliceerd worden, tenminste wanneer er voldoende ruimte beschikbaar is. Zo niet wordt de publicatie verwezen naar het daarop volgende jaar. De auteur heeft recht op een gratis nummer van Acta Macionica waarin zijn tekst gepubliceerd wordt.